Schrijvers herhalen liever niet steeds dezelfde naam of hetzelfde woord. Daarom gebruiken ze een verwijswoord: een woordje als hij, ze of dat dat terugwijst naar iets wat je al gelezen hebt. Een goede lezer weet steeds waar zo’n woord naar verwijst. Op deze pagina leer je hoe dat werkt; kies daarna een van de vijf oefeningen hierboven.
Geel = waar het naar verwijst · blauw = het verwijswoord
wijst terug naar Sanne.
wijst terug naar de nieuwe fiets.
Zonder verwijswoorden zou dezelfde tekst zo klinken: “Sanne heeft een nieuwe fiets gekregen. Sanne is heel blij met de nieuwe fiets.” Dat leest saai en lastig — daarom zijn verwijswoorden zo handig.
Verwijswoorden komen in allerlei soorten. Deze zie je in de oefeningen terug:
Kees fietst naar school. Hij heeft haast.
Lisa pakt haar jas.
Mila heeft een nieuwe fiets. Die is knalrood.
De fiets die daar staat, is van mij.
We gaan naar Spanje. Daar is het warm.
Het regent de hele dag. Dat is jammer.
Kom je een verwijswoord tegen en weet je niet waar het naar wijst? Loop dan deze stappen door:
In deze oefening gaat het om hij, zij, ze, hem, haar en hen. Let op: in elke tekst komen meerdere personen voor, en soms staat hetzelfde woordje er vaker in. Kijk dus goed naar het gemarkeerde woord.
Mila en Daan lopen samen naar school. Onderweg komen ze Yusuf en Noor tegen, die op de bus staan te wachten. Mila zwaait naar hen, maar ze zien haar niet.
Naar wie verwijst het gemarkeerde woord?
De eerste ‘ze’ zijn Mila en Daan, maar daarna verandert het. Mila zwaait naar ‘hen’: Yusuf en Noor. Zij zijn het ook die Mila (‘haar’) niet zien.
Lars vindt op het schoolplein een portemonnee naast de jas van Tom. Hij raapt hem op en brengt hem naar de conciërge, zodat die hem kan bewaren tot de eigenaar zich meldt.
Naar wie of wat verwijst het gemarkeerde woord?
Wat wordt er bewaard tot de eigenaar komt? De portemonnee. Alle drie de keren is ‘hem’ de portemonnee; ‘die’ is de conciërge.
Kees fietst met zijn zusje Lisa en haar vriendin Femke naar het zwembad. Lisa rijdt voorop en Femke blijft naast Kees fietsen. Als zij bij het stoplicht moet wachten, halen de andere twee haar in.
Naar wie verwijst het gemarkeerde woord?
Je kunt alleen iemand inhalen die vóór je rijdt. Lisa rijdt voorop, dus zij moet wachten. ‘De andere twee’ zijn Kees en Femke.
De trainer roept Jesse en Yara bij zich, terwijl de rest van het team alvast rondjes loopt. Hij wil hen de nieuwe oefening laten zien, zodat zij die straks aan de anderen kunnen uitleggen.
Naar wie verwijst het gemarkeerde woord?
De rest van het team loopt rondjes en krijgt de uitleg pas later. De trainer laat de oefening nu zien aan de twee die hij bij zich heeft geroepen: Jesse en Yara.
Maya zit naast Sofie in de klas. Als juf Ineke ziet dat Sofie vastloopt met rekenen, vraagt ze Maya om haar de som uit te leggen.
Naar wie verwijst het gemarkeerde woord?
Er zijn drie vrouwen in de tekst. Wie heeft uitleg nodig? Sofie, want zij loopt vast. Maya is degene die uitlegt en de juf (‘ze’) vraagt het.
Tim zit in de trein tegenover zijn tante Els en haar dochter Roos. Roos speelt een spelletje op de telefoon van haar moeder. Zij leest ondertussen een boek.
Naar wie verwijst het gemarkeerde woord?
Roos speelt een spelletje, dus zij leest niet. ‘Zij’ is haar moeder, en de moeder van Roos is tante Els.
De buurvrouw trakteert de kinderen uit de straat op een ijsje, omdat ze haar hebben geholpen met het sjouwen van dozen. Ze zegt dat het zonder hen nooit was gelukt.
Naar wie verwijst het gemarkeerde woord?
Kijk naar het werkwoord. In de eerste zin staat ‘ze hebben geholpen’ (meervoud): de kinderen. Maar ‘ze zegt’ is enkelvoud: dat is de buurvrouw. ‘Hen’ zijn de kinderen.
Noa vraagt aan haar vader of ze bij Fien mag logeren. Hij belt eerst met de vader van Fien. Die vindt het prima, en dus zegt hij tegen Noa dat het mag.
Naar wie verwijst het gemarkeerde woord?
‘Die’ is de vader van Fien: hij vindt het prima. Maar wie praat er daarna met Noa? Haar eigen vader, aan wie ze het vroeg.
Bij de kassa ziet Emre een kleine jongen huilen. Hij vraagt hem wat er aan de hand is. Hij vertelt dat hij zijn moeder kwijt is, en daarom brengt hij hem naar de servicebalie.
Naar wie verwijst het gemarkeerde woord?
‘Hij’ wisselt steeds! Emre vraagt iets, de jongen vertelt dat hij zijn moeder kwijt is, en dan is het weer Emre die de jongen (‘hem’) naar de balie brengt.
De tweeling Roos en Lotte staat voor de klas, naast hun nichtjes Evi en Saar. De nieuwe juf kan hen niet uit elkaar houden, want ze lijken als twee druppels water op elkaar.
Naar wie verwijst het gemarkeerde woord?
‘Twee druppels water’ gaat over twee meisjes die precies op elkaar lijken: de tweeling. De nichtjes staan er alleen naast.
Nu gaat het om bezit en aanwijzen: zijn, haar, hun, deze, die en dat. Van wie is iets precies? En wijst het woord wel naar het dichtstbijzijnde woord? Lees de hele tekst voordat je kiest.
Daan en Bram lenen een bal van de buurjongens. Na het spelen brengen ze hun bal netjes terug.
Naar wie verwijst het gemarkeerde woord?
De bal is geleend en wordt teruggebracht. Hij is dus niet van Daan en Bram (‘ze’), maar van de buurjongens.
Meester Peter vertelt aan Sara dat haar broer Ruben zijn fiets niet op slot heeft gezet. ‘Zeg maar tegen hem dat hij beter moet opletten,’ zegt hij.
Naar wie verwijst het gemarkeerde woord?
Er zijn twee mannen: meester Peter en Ruben. Ruben is degene die beter moet opletten, dus het gaat om zijn eigen fiets.
Fleur laat haar tekening aan haar zusje Mijke zien. Mijke vindt hem prachtig, maar zegt dat haar eigen tekening nog lang niet af is.
Naar wie verwijst het gemarkeerde woord?
De eerste twee keer is ‘haar’ van Fleur (haar tekening, haar zusje). Maar nu praat Mijke over haar eigen tekening: die van Mijke zelf.
Jorn heeft een blauwe pet van zijn opa gekregen en een rode pet van zijn oom. De pet van zijn oom is nieuw, maar die van zijn opa draagt hij het liefst. Deze zet hij dan ook elke dag op naar school.
Waar verwijst het gemarkeerde woord naar?
‘Deze’ is de pet die hij het liefst draagt: die van zijn opa. En welke pet kreeg hij van opa? De blauwe. Je moet hier twee stappen terug in de tekst.
In de gang staat een fiets met een mand die vol oude kranten zit. Het slot is kapot en de banden zijn plat.
Waar verwijst het gemarkeerde woord naar?
Wat kan er vol kranten zitten? Een mand, geen fiets. ‘Die’ hoort hier bij het woord dat er vlak voor staat.
Het meisje met het konijn, dat zenuwachtig op haar spiekbriefje kijkt, begint aan haar spreekbeurt.
Naar wie of wat verwijst het gemarkeerde woord?
‘Het meisje’ en ‘het konijn’ zijn allebei het-woorden, dus ‘dat’ kan bij allebei. Maar wie kijkt er op een spiekbriefje? Het meisje. Het dichtstbijzijnde woord is dus niet altijd het goede.
De ouders van Timo en Bas staan langs de lijn naast de ouders van de tegenstanders. Als Timo scoort, juichen ze het hardst van iedereen: ze zijn trots op hun zoon.
Naar wie verwijst het gemarkeerde woord?
Timo is de zoon. ‘Hun’ zegt van wie hij de zoon is: van de ouders van Timo en Bas. De andere ouders juichen niet voor hem.
Juf Marloes en meester Kevin lopen met de directeur, meneer De Wit, door de gang. Ze bespreken zijn plan om de schoolreis te verplaatsen. Meester Kevin vindt het geen goed idee en zegt dat ook eerlijk tegen hem.
Naar wie verwijst het gemarkeerde woord?
Er zijn twee mannen. Meester Kevin vindt het plan niet goed en zegt dat tegen ‘hem’. Het is dus niet zijn eigen plan, maar dat van de directeur.
Zoë ziet haar buurman met zijn hond en zijn kleinzoon door de straat lopen. Die blaft naar elke fiets en trekt zo hard aan de riem dat de jongen hem bijna niet kan houden.
Naar wie of wat verwijst het gemarkeerde woord?
Het laatst genoemde is de kleinzoon, maar die blaft niet. Denk mee met wat er gebeurt: ‘die’ is de hond.
Sara bakt samen met haar oma koekjes voor de klas van haar broertje. Ze doen er extra chocola in, want zijn klasgenoten zijn er gek op.
Naar wie verwijst het gemarkeerde woord?
‘Zijn’ hoort bij een jongen of man. De enige jongen in de tekst is het broertje; de koekjes zijn voor zijn klas.
Deze oefening gaat over woorden die naar een plaats of een ding wijzen, zoals daar, het, ze, er … in, er … op, ervan, daarin en waarin. Er worden steeds meerdere plaatsen of dingen genoemd. Tip: zet je antwoord op de plek van het woord en kijk of de zin nog klopt.
Sanne gaat in de zomer eerst een week naar haar oma in Limburg en daarna twee weken naar Spanje. Daar is het bijna elke dag boven de dertig graden.
Waar verwijst het gemarkeerde woord naar?
Er worden twee plaatsen genoemd. Waar is het bijna elke dag boven de dertig graden? In Spanje, niet in Limburg.
Bram haalt zijn rugzak van de kapstok en pakt zijn broodtrommel uit de la. Hij doet er twee boterhammen in en stopt hem daarna in het voorvak.
Waar verwijzen de gemarkeerde woorden naar?
‘Er … in’ hoort bij elkaar. Boterhammen doe je in een broodtrommel. Daarna gaat ‘hem’ (de broodtrommel) in het voorvak van de rugzak.
Noor bakt een appeltaart en zet die op tafel naast de cake van haar broer. Bijna iedereen neemt een stuk ervan, zodat de cake aan het eind van de middag nog onaangeroerd is.
Waar verwijst het gemarkeerde woord naar?
De cake is het laatst genoemd, maar die blijft juist onaangeroerd. Iedereen neemt dus een stuk van de appeltaart.
Anna en Yusuf fietsen na school eerst naar de bibliotheek en dan door naar het zwembad. Daar leveren ze snel hun boeken in.
Waar verwijst het gemarkeerde woord naar?
‘Daar’ wijst niet altijd naar de plaats die het laatst genoemd is. Boeken lever je in bij de bibliotheek, niet bij het zwembad.
Yara leest in bed een boek over een meisje dat een paard krijgt. Ze vindt het zo spannend dat ze het licht niet uit wil doen.
Waar verwijst het gemarkeerde woord naar?
Er staan vier het-woorden in de tekst. Wat is zo spannend dat Yara blijft lezen? Het boek.
Op de markt koopt Ali drie mandarijnen en twee bananen voor zijn zusjes. Hij schilt ze alvast voor hen, maar de bananen laat hij dicht.
Waar verwijst het gemarkeerde woord naar?
De bananen blijven dicht, dus ‘ze’ zijn alleen de mandarijnen. De zusjes zijn ‘hen’.
Achter het huis van opa staat een grote schuur met een kast vol gereedschap. Daarin bewaart hij ook zijn tractor.
Waar verwijst het gemarkeerde woord naar?
De kast is het laatst genoemd, maar een tractor past niet in een kast. ‘Daarin’ is dus ‘in de schuur’.
Op de zolder van het huis waarin Mila’s oma is opgegroeid, staat een kist vol oude brieven.
Waar verwijst het gemarkeerde woord naar?
Waarin groei je op? In een huis. ‘Waarin’ verwijst naar het woord vlak ervoor; de kist komt pas later in de zin.
In de tuin staat de nieuwe trampoline op een groot zeil, naast de oude schommel. Papa zegt dat er maar één kind tegelijk op mag springen.
Waar verwijzen de gemarkeerde woorden naar?
‘Er … op’ hoort bij elkaar. Waar spring je op? Op de trampoline. Het zeil en de schommel staan er alleen bij.
Mijn opa bewaart alle oude foto’s van zijn broers in een doos. Die staat op zolder, maar als zij op bezoek komen, haalt hij hem naar beneden.
Naar wie of wat verwijst het gemarkeerde woord?
Kijk naar het werkwoord: ‘staat’ is enkelvoud. De foto’s en de broers zijn meervoud, dus ‘die’ is de doos. ‘Zij’ zijn de broers en ‘hem’ is weer de doos.
Soms wijst een verwijswoord niet naar één woord, maar naar een hele zin of naar iets wat er gebeurd is. Zo werken dat, dit, zo, daarom, hierdoor en daarvoor. In deze teksten gebeurt er steeds meer dan één ding: naar welk deel wijst het woord precies?
Door de regen gaat de voetbaltraining vanmiddag niet door. Ruben vindt dat niet erg, want hij wilde toch liever thuis verder bouwen aan zijn hut.
Wat bedoelt de schrijver met het gemarkeerde woord?
Wat vindt Ruben niet erg? Dat de training niet doorgaat. De hut is de reden waarom hij het niet erg vindt.
Elke ochtend fietst Ilse eerst langs de bakker en daarna naar school. Sinds kort neemt ze daar ook een broodje mee voor haar vriendin. Dit doet ze pas twee weken.
Wat bedoelt de schrijver met het gemarkeerde woord?
‘Sinds kort’ en ‘pas twee weken’ horen bij elkaar. ‘Dit’ wijst alleen naar het nieuwe: het broodje voor haar vriendin. Langs de bakker fietsen deed ze al langer.
De brug is afgesloten voor werkzaamheden. De gemeente had dat een maand geleden al aangekondigd, maar veel automobilisten wisten het niet. Hierdoor stonden ze vanmorgen verbaasd voor de hekken.
Wat bedoelt de schrijver met het gemarkeerde woord?
Waarom waren ze verbaasd? Niet doordat de brug dicht is, maar doordat ze dat niet wisten. ‘Hierdoor’ wijst naar het laatste stukje van de zin ervoor.
Timo heeft vannacht slecht geslapen. Toch heeft hij vandaag een goed cijfer gehaald voor zijn toets, en daarom mag hij vanavond de film uitkiezen.
Wat bedoelt de schrijver met het gemarkeerde woord?
‘Daarom’ betekent ‘om die reden’. Een beloning krijg je niet voor slecht slapen, maar voor het goede cijfer.
Nina steekt haar vinger op en wacht tot ze de beurt krijgt. Joep roept zijn antwoord gewoon door de klas. ‘Zo wil ik het niet meer hebben,’ zegt de juf streng.
Wat bedoelt de schrijver met het gemarkeerde woord?
De juf is streng: ze wil iets niet meer. ‘Zo’ wijst dus naar wat Joep doet, niet naar wat Nina doet.
De voetbalclub krijgt dit jaar een nieuw kunstgrasveld. Volgens de voorzitter zijn bijna alle leden daar blij mee. Dat blijkt uit een vragenlijst die de club heeft rondgestuurd.
Wat bedoelt de schrijver met het gemarkeerde woord?
Wat kun je uit een vragenlijst opmaken? Wat de leden ervan vinden. ‘Dat’ wijst naar de zin vlak ervoor, niet naar de eerste zin.
De trein had vertraging en de bus reed niet. Gelukkig kon Sam met de buurman meerijden. Hierdoor was hij toch nog op tijd op school.
Wat bedoelt de schrijver met het gemarkeerde woord?
Let op het woordje ‘toch’. Door de trein en de bus zou Sam juist te laat komen. Hij was op tijd doordat hij kon meerijden.
Lena doet elke zaterdag klusjes voor de buren. Daarvoor krijgt ze vijf euro, die ze spaart voor een nieuwe gitaar.
Wat bedoelt de schrijver met het gemarkeerde woord?
Waar krijgt Lena vijf euro voor? Voor de klusjes. De gitaar komt pas daarna: daar spaart ze het geld voor.
Zoë wil later dokter worden. Haar broer zegt dat ze dan wel heel lang moet studeren. Dat schrikt haar niet af.
Wat bedoelt de schrijver met het gemarkeerde woord?
Wat zou je kunnen afschrikken? Dat je heel lang moet studeren. Dokter worden is juist wat Zoë wil.
Het dorp krijgt een nieuw zwembad, maar het oude speelveld moet ervoor verdwijnen. Vooral dat laatste maakt de kinderen boos.
Wat bedoelt de schrijver met de gemarkeerde woorden?
‘Dat laatste’ wijst naar het laatste van de twee dingen die genoemd zijn: het speelveld moet verdwijnen.
Deze teksten zijn langer en er komen meer personen en dingen in voor. Vaak passen er op het eerste gezicht twee antwoorden. Lees de tekst daarom helemaal uit en vraag je af: wie of wat past logisch bij het gemarkeerde woord?
Juf Karin vraagt aan Lotte of ze het bord wil schoonmaken, omdat ze zelf nog schriften moet nakijken. Lotte heeft er geen zin in, maar ze ziet hoe druk ze het heeft en doet het toch.
Naar wie verwijst het gemarkeerde woord?
Wie heeft het druk? Degene die nog schriften moet nakijken: juf Karin. De ‘ze’ die het ziet, is Lotte.
Mees en Finn zijn allebei gek op voetbal. Mees speelt al twee jaar bij een club, terwijl Finn alleen in de tuin oefent. Volgend jaar mag hij ook lid worden, en dan wil hij hem graag in zijn team hebben.
Naar wie verwijst het gemarkeerde woord?
De eerste ‘hij’ is Finn: hij mag ook lid worden. Maar wie heeft er al een team? Mees. Mees wil Finn (‘hem’) in zijn team.
Onze buurvrouw heeft een kat en een papegaai. Zodra de kat ’s avonds naar buiten glipt, begint hij in zijn kooi te krijsen. Daar worden wij elke keer wakker van.
Naar wie of wat verwijst het gemarkeerde woord?
De kat is naar buiten, dus die zit niet in een kooi. Wie krijst er in zijn kooi? De papegaai.
Anouk en haar moeder zijn met oma op de markt. Oma koopt stiekem een bos bloemen voor haar dochter, die vandaag jarig is. Anouk mag ze aan haar geven.
Naar wie verwijst het gemarkeerde woord?
De bloemen zijn voor de dochter van oma. Dat is de moeder van Anouk: zij is jarig en krijgt de bloemen.
Jeroen zit met zijn vader bij de tandarts. Die ziet twee gaatjes en zegt tegen zijn vader dat hij hem minder snoep moet geven.
Naar wie verwijst het gemarkeerde woord?
Wie geeft het snoep, en wie krijgt het? De vader moet Jeroen (‘hem’) minder snoep geven. ‘Hij’ is dus de vader.
Op het schoolplein pakt Bilal de bal van Sem af en schopt hem naar Niek. Die schiet hem per ongeluk over het hek, waarna Sem boos wegloopt.
Naar wie of wat verwijst het gemarkeerde woord?
‘Die’ wijst naar de persoon die het laatst genoemd is: Niek. Hij krijgt de bal en schiet ‘hem’ (de bal) over het hek.
Sinds vorige week blijven in groep 8 de telefoons in de tas tot het speelkwartier. De kinderen mopperden eerst, maar de juf legde uit dat ze zich zo beter kunnen concentreren. Inmiddels vinden de meesten dit een goede reden.
Wat bedoelt de schrijver met het gemarkeerde woord?
Let op het woord ‘reden’. De regel zelf is geen reden; de reden voor de regel is dat de kinderen zich beter kunnen concentreren.
Toen Maarten de deur opendeed, stond zijn oma voor hem met een grote taart en een cadeau. Ze had hem zelf gebakken en zette hem voorzichtig voor hem op tafel.
Naar wie of wat verwijst het gemarkeerde woord?
Drie keer ‘hem’ achter elkaar! Oma heeft de taart gebakken en zet de taart neer. Maar voor wie? Voor Maarten.
De juf heeft stickers gekocht voor de kinderen die het lokaal hebben opgeruimd. Ze liggen al klaar op haar bureau als ze na de pauze binnenkomen.
Naar wie of wat verwijst het gemarkeerde woord?
Wat ligt er klaar op een bureau? De stickers. De tweede ‘ze’ in dezelfde zin zijn de kinderen: zij komen binnen.
Sophie krijgt van haar tante een fotoalbum. Op de eerste bladzijde staat een foto van opa en oma op hun trouwdag. Haar tante vertelt dat zij toen pas twintig waren en dat zij zelf nog niet eens geboren was.
Naar wie verwijst het gemarkeerde woord?
De eerste ‘zij’ (waren, meervoud) zijn opa en oma. De tweede ‘zij’ (was, enkelvoud) is degene die vertelt en het over zichzelf heeft: de tante.