leestrainer.nl

Een woordje dat naar iets anders wijst

Schrijvers herhalen liever niet steeds dezelfde naam of hetzelfde woord. Daarom gebruiken ze een verwijswoord: een woordje als hij, ze of dat dat terugwijst naar iets wat je al gelezen hebt. Een goede lezer weet steeds waar zo’n woord naar verwijst. Op deze pagina leer je hoe dat werkt; kies daarna een van de vijf oefeningen hierboven.

Een pijl wijst vanaf het woordje ‘ze’ terug naar de naam ‘Sanne’ in een stukje tekst. Sanne ze ze → Sanne
Het woordje ‘ze’ wijst terug naar ‘Sanne’

Wat is een verwijswoord?

Een verwijswoord is een woord dat verwijst naar iets anders in de tekst — een persoon, een ding, een plaats of zelfs een hele zin. Zo hoeft de schrijver niet steeds hetzelfde te herhalen.
Sanne heeft een nieuwe fiets gekregen. Ze is er heel blij mee.

Geel = waar het naar verwijst  ·  blauw = het verwijswoord

ze

wijst terug naar Sanne.

er

wijst terug naar de nieuwe fiets.

Zonder verwijswoorden zou dezelfde tekst zo klinken: “Sanne heeft een nieuwe fiets gekregen. Sanne is heel blij met de nieuwe fiets.” Dat leest saai en lastig — daarom zijn verwijswoorden zo handig.

Veelgebruikte verwijswoorden

Verwijswoorden komen in allerlei soorten. Deze zie je in de oefeningen terug:

Voor personen en dingen

hij zij / ze het hem haar hen

Kees fietst naar school. Hij heeft haast.

Voor bezit

mijn zijn haar hun

Lisa pakt haar jas.

Om naar iets te wijzen

deze die dit dat

Mila heeft een nieuwe fiets. Die is knalrood.

De fiets die daar staat, is van mij.

Voor een plaats of een ding

hier daar erin erop ervan daarin waarin

We gaan naar Spanje. Daar is het warm.

Voor een hele zin

dat dit zo daarom hierdoor daarvoor

Het regent de hele dag. Dat is jammer.

Zo vind je waar een woord naar verwijst

Kom je een verwijswoord tegen en weet je niet waar het naar wijst? Loop dan deze stappen door:

  1. Lees de hele zin waarin het verwijswoord staat.
  2. Ga terug in de tekst. Meestal staat het woord waar het naar verwijst in dezelfde zin of in de zin ervoor.
  3. Let op de vorm. Is het één of zijn het er meer (hij of ze)? Gaat het om een jongen of een meisje? Om een persoon of een ding?
  4. Trap niet in de valkuil. Het woord dat het dichtstbij staat, is niet altijd het goede. Staan er twee personen of dingen die allebei passen? Lees dan verder: de rest van de tekst vertelt wie of wat er bedoeld wordt.
  5. Test je antwoord. Zet het op de plek van het verwijswoord. Klopt de zin nog? Dan heb je het goed. Bijvoorbeeld: “Lars brengt hem naar de juf” wordt “Lars brengt de portemonnee naar de juf.”