Teun loopt naar het hok.

In het hok zit een kip

Er ligt een ei in het hok.

Teun pakt het ei.

iDevice Vraag-pictogram1. weet jij het?
Wie is Teun?   
Teun is een man.
Teun is een kip.

'Dat lust ik wel,' zegt hij.

Hij geeft het ei aan Toos.

Ze bakt het ei in de pan.

Ze doet zout op het ei.

iDevice Vraag-pictogram2. weet jij het?
Wat doet Toos?   
Ze bakt het ei.
Ze kookt het ei.

'Hier Teun, hier is je ei.

Er zit al zout op.'

'Ik wil geen zout,' zegt Teun.

'Eet jij dat ei maar op.'

iDevice Vraag-pictogram3. weet jij het?
Wat lust Teun niet?   
Teun lust geen ei.
Teun lust geen zout.

Teun loopt weg.

Hij is boos.

En Toos?

Toos eet het ei op.

iDevice Vraag-pictogram4. weet jij het?
Wie is boos?   
Toos is boos.
Teun is boos.