Sterke werkwoorden

  
Kom je er echt niet uit?
Klik dan op de Hint knop.

Schrijf de persoonsvormen in de verleden tijd.

stelen
De dieven het geld van de winkelier.
jij wel eens iets?
Ik nooit wat.
Dat ventje geld van zijn moeder.
Dat meisje een reep chocolade.

eten
Hij zijn bord leeg.
De feestgangers heerlijk.
hij zijn spruitjes wel op?
Anton een grote banaan.
Gisteren zij (meervoud) in een restaurant.

blazen
De scheidsrechter op zijn fluit.
Ik een ballon op.
Waarom jij die niet op?
Ze (meervoud) de aftocht.
jouw oom gisteren die wedstrijd?

drijven (pas op)
Het schip op de woeste golven.
dat meisje de ganzen voor zich uit?
In de haven veertien meeuwen.
Vorige week daar een grote zwaan.
Het baby'tje zijn bedje uit.

bijten
De wolven het rendier dood.
Die valse hond in mijn been.
jij een stuk uit die appel?
Zij (enkelvoud) een snoepje doormidden.
Hij in een sappige peer.

zingen
Wat jij weer mooi.
Jullie een heel bekend lied.
Ik vorige week nog in dat koor.
Moeder daar ook nog een paar jaar.
Mijn tante in een gemengd koor.