Sterke werkwoorden

  
Kom je er echt niet uit?
Klik dan op de Hint knop.

Schrijf de persoonsvormen in de verleden tijd.

gaan
Wij in zee zwemmen.
jullie gisteren naar het zwembad?
Hij vorig jaar naar de mavo.
je broer daar ook heen?
Toen ik jong was, ik naar de kleuterschool.

drinken
Lenie altijd haar melk op.
Mijn zwager veel water.
Jij vroeger toch cola?
Wij toen altijd thee.
Lang geleden hij meestal chocomel.

houden
Zij (enkelvoud) heel veel van hem.
je haar goed vast bij het schaatsen.
Wij echt niet van spruitjes.
Hij erg veel van patat.
je broer hem niet tegen?

rijden (pas op)
Hans weer veel te hard.
De kleuters op rode driewielertjes.
Mijn tante op een oude fiets.
Hij in een sportwagen.
je vriendje op zijn brommer door het bos?

buigen
De bomen in de storm.
De lakei voor de koning.
Hij zijn linkerknie.
jij voor de koningin?
Nee, ik niet voor haar.


zenden
De agenten hem naar huis.
ik dat pakje vanmorgen weg.
Hij hem een ansichtkaart.
je broer hem ook een kaart?
jij vroeger veel brieven naar je vriendinnetje?