Sterke werkwoorden

  
Kom je er echt niet uit?
Klik dan op de Hint knop.

Schrijf de persoonsvormen in de verleden tijd.

staan
De tuinman met een roos in zijn hand.
Hij in zijn hemd.
Wij in de stromende regen.
Ik vroeger altijd om 8 uur op.
jullie naar die clown te kijken?

doen
Een agent uitschelden ik echt niet.
Hij het in zijn broek van angst.
Wat jullie in dat oude huis?
Wij daar echt geen kwaad, hoor.
Sven een heel moeilijke turnoefening.

graven
De jongens een diepe kuil.
De zeerovers een schat op.
De ridder een gracht om zijn kasteel.
jij vroeger ook kuilen?
De hond naar een begraven bot.

verliezen
Het elftal de wedstrijd.
Zij (enkelvoud) verloor haar .
jullie alweer met tennissen?
Jij toch een kostbare broche?
Ik met hardlopen.

sluipen
Hij door het dichte struikgewas.
Jullie als dieven door de nacht.
hij achter een dief aan?
Ik zachtjes naar hen toe.
De poes naar de vogeltjes.

snijden
Wij het brood voor het ontbijt.
jij wel eens in je vinger?
Zij (meervoud) de andijvie voor het diner.
De kok het vlees in dunne plakken.
Ik voor mijn broertje de boterhammen in kleine stukjes.