PV (zwakke werkwoorden)

  
Kom je er echt niet uit?
Klik dan op de Hint knop.

Schrijf de persoonsvormen in de verleden tijd.

spitten
Waarom die jongens hun tuintje om?
de tuinman jullie tuin om?
Nee, hij alleen de voortuin om.
Mijn vader de achtertuin om.
Dat meisje maar een klein stukje van haar tuintje.

praten
Onze moeders over de vakantie,
jij altijd zo veel in de klas?
Mijn tante aan één stuk door.
Ik tegen mijn vriendjes.
Opa over de ouderdomsverzekering.

missen
De zakenman de trein.
Ik een belangrijke voetbalwedstrijd.
Oma gisteren haar portemonnee.
jullie de tram vanmorgen ook?
Zij (meervoud) hun vliegtuig naar Spanje.


schaatsen
Zij (meervoud) in Zweden.
jij wel eens op natuurijs?
Ik vroeger op de ijsbaan.
Oma en oma al in de vorige eeuw.
Die schaatser een wereldrecord.

turen
De duivenmelker naar de lucht.
De schipbreukeling over de zee.
De kapitein in de verte.
Zij (meervoud) naar de wolken.
jij wel eens naar de wolken.

kleven
Die lijm verschrikkelijk.
Die stickers vroeger veel meer.
Er vliegen in de stroop.
Wat die jam toch!
Jouw handen nogal, Mitchel.