PV (zwakke werkwoorden)

  
Kom je er echt niet uit?
Klik dan op de Hint knop.

Schrijf de persoonsvormen in de verleden tijd.

luiden
Met Kerstmis hij altijd de klok.
Laatst de koster de klok.
De klokken van de kerk met Kerstmis.
jij de bel van de school?
De schoolbel voor het eind van de lessen.

beven
De schipbreukelingen van angst.
Hij van de zenuwen.
Ik van schrik toen ik dat spook zag.
Mijn opa van ouderdom.
jij ook, toen je die engerd zag?

klagen
Die mensen altijd al.
die man omdat hij werd overgeslagen?
De bedelaar over de opbrengst.
Zij (meervoud) over het eten.
Waarom hij over het eten in dat hotel?

malen
Moeder vroeger de koffiebonen.
jij de koffiebonen wel eens?
De molenaar het graan.
Hij het koren in een molen.
Waarom zij (meervoud) nooit eens graan?

verven
Mijn broer zijn tekening.
Die schilders het huis groen.
jij laatst het schuurtje?
Nee hoor, oom Ben het schuurtje.
Jullie toch het hek rond jullie tuin?

spelen
jullie vaak in het bos?
Ik vorige week bij mijn vriendje.
je zusje toen ook mee?
's Nachts we verstoppertje.
De meester prachtig op zijn viool.