“Ik ken de schema's van de werkwoorden hebben, zijn en worden.” 

Vul alles in en klik dan op "Controleer". Druk op [?] of "Hint" voor hulp. Dat kost echter wel punten.
Jij hebt koorts en hij heeft de ziekteperiode al achter de rug.

De werkwoordschema's van de werkwoorden hebben, zijn en worden moet je goed kennen, want deze werkwoorden komen zeer veel voor.
Makkelijk zijn de schema's niet, maar als je de oefening hieronder maakt, ken je ze al aardig!


Opdracht: Vul de PV in.
1. Femke (zijn, vt) gisteren verkleed als clown.
2. Zij (hebben, vt) zich nooit eerder als clown verkleed.
3. Hans wel: die (hebben, tt) zich zo vaak als clown verkleed.
4. (hebben) jij je wel eens als clown verkleed?
5. Vandaag (zijn, tt) Femke weer verkleed.
6. Ik (worden, tt) een beetje gek van al die verkleedpartijen!
7. (worden) jij er ook gek van? (Tip: jij achter PV!)
8. Femke en Hans (hebben, tt) er in elk geval wel schik in.
9. Ze (zijn, tt) nu eenmaal graag verkleed.
10. Dat (zijn, vt) wij vroeger ook hoor!

De werkwoorden hebben, zijn en worden komen vaak voor in combinatie met een ander werkwoord.
Bijvoorbeeld zijn + gaan --> Ik ben gegaan.
We noemen hebben, zijn en worden ook wel hulpwerkwoorden. In de volgende oefening leer je hier meer over!

Onthoud: hebben, zijn en worden komen vaak voor in combinatie met andere werkwoorden. Het zijn hulpwerkwoorden.