Tim onderzoekt op hoeveel manieren je 5 personen om een ronde tafel heen kunt zetten ('schikken').

Hij bedenkt dat de volgorde (schikking) NIET verandert, als iedereen een of meer plaatsjes doordraait.
Daarom zet hij persoon A op een vaste plek en kijkt hij naar de mogelijkheden voor de personen B tot en met E.
Welke berekening is juist?