Zinsontleding

 

Basisschool:

 

Oefenserie 1 (6 zinnen; niet voor tablets)
Oefenserie 2 (8 opdrachten)
Zin: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
Verder oefenen: De slak en De leeuw en de muis (niet voor tablets)

 

 

 

Voortgezet onderwijs:

 

Niveau 1     Zin: 1, 2, 3, 4, 5

         6, 7, 8, 9, 10

Niveau 2

(met naamw. gezegde)

    Zin: 1, 2, 3, 4, 5

         6, 7, 8, 9, 10,

         Quiz

Niveau 3

(met zinsdeelstukken)

    Zin: 1, 2, 3, 4, 5

         6, 7, 8, 9, 10

Niveau 4

(met voorzetselvoorwerp,

werkwoordelijke uitdrukking en bijstelling)

    Zin: 1, 2, 3, 4, 5

         6, 7, 8, 9, 10

 

NB: bijwoordelijke bepalingen worden in bovenstaande oefeningen niet nader benoemd (als bijv. 'van plaats', 'van tijd', ... ).

 

Nóg een niveau hoger dan niveau 4 ("niveau 5") gaat voor deze website, die bedoeld is voor kinderen en jongeren, te ver: het belanghebbend voorwerp, bezittend voorwerp, ondervindend voorwerp en de ethische datief worden daarom niet als zodanig benoemd.

 

 

Samengestelde zinnen (zinnen met meer dan één persoonsvorm):

 

Oefening 1 (twee hoofdzinnen of een hoofdzin en een bijzin?)

Oefening 2 (benoem de bijzin)

 

Toelichting samengestelde zinnen:

Zinnen die verbonden worden door één van de voegwoorden dus, want, en, maar hebben twee hoofdzinnen, die je apart ontleedt. Ook bij het voegwoord of kán dit het geval zijn.

In de andere gevallen heb je te maken met een hoofd- en een bijzin. Bijzinnen kun je benoemen als: onderwerpszin, gezegdezin, lijdendvoorwerpszin, meewerkendvoorwerpszin, voorzetselvoorwerpszin, bijwoordelijke bijzin of bijvoeglijke bijzin.

  

Extra info, om hoofd- en bijzinnen te kunnen onderscheiden: 

in een hoofdzin staat de persoonsvorm los van de andere werkwoorden. In een bijzin staat de persoonsvorm bij de rest van de werkwoorden (voeg evt. zelf wat werkwoorden toe en kijk wat er gebeurt).

  

Extra info: nevenschikking en onderschikking